Industrie

Over projectenpijplijn 2030

De ‘projectenpijplijn’ geeft een beeld van de stappen die een dertigtal grote industriebedrijven tot 2030 gepland hebben om hun emissies te reduceren door ombouw en afbouw van bestaande activiteiten. Deze pijplijn geeft inzicht in het tempo van de geplande projecten en de technieken die worden ingezet.

RVO heeft in 2021 en 2022 interviews gehouden met dertig bedrijven die samen verantwoordelijk zijn voor ongeveer 60 procent van CO2-emissie van de industrie. Uit de interviews blijkt dat zij projecten gepland hebben waarmee zij 20 Mton aan emissies kunnen reduceren, mits aan randvoorwaarden wordt voldaan (o.a. tijdige beschikbaarheid van infrastructuur, subsidie, en vergunningen).

Het grootste deel daarvan wordt bereikt na 2026, vooral door inzet van CCS en groene waterstof. Van de geplande CCS-projecten betreft een groot deel blauwe-waterstofprojecten.

Verwachte emissiereductie van geplande projecten (scope 1) naar uitvoeringsjaar en techniekoptie, 2022

Presentatie

Indicatoren

Het dashboard bevat nu de volgende indicatoren.

Beleid en afspraken

In de uitvoering wordt gewerkt aan de volgende beleidsonderwerpen en (clusters van) afspraken. Lees de beschrijving en status door te klikken op het 'plusje'.

  • Circulaire economie

  • Decentraal

  • EU

  • Industrieroutes

  • Infrastructuur

  • Instrumentarium

  • Kennis & Innovatie

  • Monitoring

Randvoorwaarden

Om de transitie mogelijk te maken moeten randvoorwaarden veranderen. Het beleid en de afspraken dragen hieraan bij. De volgende indicatoren hebben betrekking op randvoorwaarden voor de transitie in de subsector projectenpijplijn.

Ervaren belemmeringen bij projecten in de pijplijn van geïnterviewde bedrijven

De figuur toont het aantal ervaren belemmeringen (naar type, uitgedrukt in % van het totaal) genoemd door 30 geïnterviewde bedrijven bij geplande projecten voor CO2-emissiereductie in de industrie in zowel 2021 als 2022. Voor 2022 gaat het om voorlopige cijfers. Per bedrijf of project kunnen meerdere knelpunten genoemd zijn.

De genoemde knelpunten kunnen gaan over geplande emissiereductie aan de schoorsteen en/of in de keten. Op basis van de voorlopige cijfers is een lichte verschuiving van ervaren belemmeringen te zien: regelgeving wordt in 2022 iets minder vaak genoemd, terwijl de categorie 'overige belemmeringen' is toegenomen.

Het niet-erkennen van de reductie van scope 2 en 3 emissies onder EU-ETS en de nationale CO2-heffing wordt het vaakst genoemd onder overige belemmeringen. De toename bij overig correspondeert mogelijk met de afname bij het knelpunt regelgeving/vergunningen.

Presentatie

Gemiddelde kosten van gesubsidieerde CO₂-reductie per jaar voor verschillende techniekopties SDE++

In de figuur zijn de gemiddelde subsidiekosten (in euro per ton CO₂) voor verschillende techniekopties afgezet tegen de verwachte CO₂-reductie per jaar, als maat voor de subsidie-intensiteit van de SDE++ (peildatum 1 juni 2021).

Hiermee wordt inzichtelijk wat recentelijk de meest kostenefficiënte techniekopties waren waarvoor subsidie is aangevraagd. Voor windenergie (op land) en restwarmte, die de laagste subsidie-intensiteit kennen, is de verwachte hoeveelheid CO2 reductie die gesubsidieerd wordt relatief beperkt.

De projecten voor CO2-afvang en -opslag (CCS) leveren veel CO2-reductie op tegen relatief lage subsidiekosten.

Voor duurdere technieken is in 2021 ook SDE-subsidie toegekend. De verwachting is dat met meer uitrol van deze technieken de projectkosten geleidelijk zullen dalen.

Presentatie

Totaal aantal infrastructurele knelpunten per energiedrager en CO₂

De figuur toont het aantal infrastructurele knelpunten per energiedrager (CO₂-afvang en -opslag, elektrificatie, waterstof, en warmte), uitgesplitst naar type knelpunt, zoals geïnventariseerd in het TIKI-rapport (dd. mei 2020).

Tijdige uitbreiding van elektriciteits-, waterstof-, CO₂- en warmtenetten is cruciaal om het CO₂-vrije energie-aanbod en de vraag van alle afnemers met elkaar te verbinden, zowel nationaal als regionaal. Dat is een grote uitdaging die niet alleen directe actie vergt, maar waarbij ook ver vooruit moet worden gekeken. Bovendien zijn verschillende energiedragers, zoals elektriciteit en groene waterstof, in toenemende mate met elkaar verbonden.

Naar aanleiding van het rapport van de Taskforce Infrastructuur Klimaatakkoord Industrie (TIKI) heeft het kabinet besloten een regierol te nemen voor de versnelde realisatie van energie- en klimaatgerelateerde infrastructuur, via het Nationaal Programma Infrastructuur Duurzame Industrie (PIDI). In dit programma werken Rijk, industrie, netbeheerders, energieproducenten en decentrale overheden samen. PIDI zal de knelpunten agenderen die besluitvorming en realisatie in de weg staan bij infrastructuurprojecten van nationaal belang.

Daarnaast gaat het programma energiesysteem (PES), dat in ontwikkeling is, sturing geven op basis van een integraal beeld van energievraag, -aanbod en internationale ontwikkelingen.

Presentatie

Schematische weergave van de nationale CO₂-heffing met vrijgestelde ruimte voor 2021-2030

De CO2-heffing is in 2021 ingevoerd. De figuur geeft een schematische weergave van de nationale CO2-heffing met vrijgestelde ruimte voor 2021-2030. 

Om de industrie de tijd te geven te verduurzamen en hun (vaak grote) investeringsprojecten voor te bereiden, kent de heffing een ingroeipad van geleidelijk afnemende dispensatierechten. Deze worden jaarlijks door de NEa toekend. De emissies die boven deze rechten uitkomen worden belast met een tarief dat oploopt in de tijd (minus de gemiddelde ETS-prijs in het betreffende jaar). 

In verband met de 'rustige' start van de heffing zal de industrie als geheel pas rond 2024 een tekort aan dispensatierechten hebben. De industrie als geheel hoeft voor die tijd dus geen kosten te maken aan de heffing. Dit betekent echter niet dat individuele bedrijven geen kosten hebben.

Het doel van de heffing, zoals afgesproken in het Klimaatakkoord, is om de industrie emissies te laten reduceren, niet om opbrengsten te genereren. Als de heffing haar werkt doet, leidt die niet tot lastenverzwaring. Wel zal er dan sprake zijn van extra investeringen en mogelijk vervroegde afschrijvingen om emissiereductie te bewerkstelligen.

grafiek

Totale uitstoot en vrijgestelde uitstoot nationale CO₂-heffing industrie

De figuur geeft voor het jaar 2021 de verhouding aan tussen de totale en vrijgestelde CO2-uitstoot (in Mton) onder de nationale CO2-heffing. De totale uitstoot van alle installaties onder de heffing bedroeg in 2021 48 Mton. Om op de vrijgestelde uitstoot te komen, wordt de totale uitstoot vermenigvuldigd met een correctiefactor van 1,2. Deze correctiefactor is gekozen om bedrijven voldoende tijd te geven om hun emissies te reduceren. Zodoende kwam de hoeveelheid vrijgestelde uitstoot waarvoor bedrijven dispensatierechten ontvingen in 2021 op 57,6 Mton.

Het totale overschot aan dispensatierechten is niet gelijk verdeeld. Van de 271 bedrijven die onder de nationale CO2-heffing vallen, hadden in 2021 225 bedrijven een overschot en 46 een tekort aan dispensatierechten. Een bedrijf met een tekort kan rechten bijkopen van een bedrijf met een overschot, of de heffing betalen, of investeren om zijn emissies te reduceren.

Presentatie

Ontwikkeling van de EU ETS prijs, tarief van de nationale CO₂-heffing en de netto heffing

De figuur geeft de ontwikkeling weer van de netto heffing voor bedrijven als het verschil tussen de nationale CO₂-heffing en de EU ETS prijs (in euro per ton CO₂-eq).  

Het tarief van de heffing loopt op in de tijd. Als de EU ETS prijs hoger is dan het vastgestelde tarief van de nationale heffing, hoeven bedrijven netto geen nationale heffing te betalen. Dit blijkt het geval te zijn in 2022, doordat de vastgestelde gemiddelde ETS-prijs hoger lag dan het tarief van de CO₂-heffing. In 2021 bedroeg de netto heffing 3,75 euro per ton CO₂.

Presentatie

Verdeling van heffingsplichtige inrichtingen per industriecluster

De nationale CO₂-heffing omvat de industriële uitstoot onder het Europese emissiehandelssysteem (EU-ETS), afvalverbranding en lachgasuitstoot. De tabel toont hoe de installaties van heffingsplichtige bedrijven naar cluster verdeeld zijn en hoeveel Mton broeikasgas daarmee gemoeid is.

Heffingsplichtigen Inrichtingen Inrichtingen % Broeikasgasemissies Broeikasgasemissies %
Rotterdam-Moerdijk 43 15,9% 16,5 34,4%
Noordzeekanaalgebied 16 5,9% 11,4 23,8%
Zeeland-West-Brabant 22 8,1% 8,6 17,9%
Cluster 6 176 64,9% 5,7 11,9%
Chemelot (incl. N2O) 3 1,1% 4,7 9,8%
Noord-Nederland 11 4,1% 1,1 2,3%
Totaal 271 100,0% 48 100,0%
Presentatie

Belastingdruk energiebelasting (EB) en opslag duurzame energie (ODE) voor verschillende sectoren

De tabel geeft een indicatie van de (verschuiving in) belastingdruk van 2019 tot en met 2022 naar huishoudens/bedrijfsleven en binnen de industrie per bedrijfstak, op basis van de energiebelasting (EB) en opslag duurzame energie (ODE). De ODE is de voeding voor de subsidieregeling SDE(++).

Binnen de industrie lopen de EB/ODE-lasten vanwege de vrijstellingen voor metallurgische en mineralogische processen sterk uiteen. Zo betaalt de basismetaalsector niets. De vrijstellingen voor metallurgische en mineralogische processen kosten de schatkist circa € 80 miljoen per jaar. Deze vrijstellingen zijn toegestaan in de EU-richtlijn Energiebelastingen met oog op de concurrentiepositie van de industrie ten opzichte van andere werelddelen (en worden ook in andere lidstaten ingezet).

Grove uitsplitsing EB+ODE bijdrage1 2019 2020 2021 2022
Totaal EB+ODE bijdrage huishoudens (incl. belastingvermindering)2 3.195 2.292 2.406 -221
Totaal EB+ODE bijdrage Bedrijven (excl. belastingvermindering) 3.502 4.116 4.556 3.958
- Industrie 586 765 848 806
wv. voedings- en genotmiddelenindustrie 184 236 261 245
wv. textiel-, kleding- en lederindustrie 24 28 31 28
wv. hout-, papier- en grafische industrie 44 57 62 57
wv. aardolie, chemische en farmaceutische industrie 110 168 185 202
wv. rubber- en kunststofproductindustrie 39 53 60 54
wv. bouwmaterialenindustrie 23 30 33 30
wv. basismetaalindustrie 0 0 0 0
wv. metaalproducten, machine-industrie, transportmiddelen 116 142 159 142
wv. overige industrie 46 51 57 48
- Landbouw 386 462 491 429
- Dienstverlening 1.594 2.226 2.478 2.076
- Overheid/onderwijs/zorg 577 664 740 647
1De bijdragen van huishoudens en bedrijven in de jaren 2019 t/m 2021 zijn generiek geschaald naar de gerealiseerde EB + ODE ontvangsten in die jaren. De uitsplitsing voor het jaar 2022 is gebaseerd op basis van de verwachte sleutels voor dat jaar en is dus (nog) niet geschaald naar realisatiecijfers.
2In verband met technische redenen is de EB+ODE bijdrage van huishoudens in de bovenstaande tabel gepresenteerd inclusief het voordeel van de belastingvermindering en bij het bedrijfsleven excl. het voordeel van de belastingvermindering. In 2022 wordt er tijdelijk meer belastingvermindering toegekend aan huishoudens dan het bedrag dat huishoudens in 2022 aan EB en ODE verschuldigd zijn, dit houdt verband met het incidentele compensatiepakket van de energierekening ad. 3,2 miljard euro.
Presentatie

Veranderingen

Als de randvoorwaarden wijzigen, worden veranderingen in de samenleving mogelijk. De volgende indicatoren hebben betrekking op veranderingen die al zichtbaar en meetbaar zijn.

Projectenpijplijn voor emissiereductie van geïnterviewde bedrijven (scope 1; Mton CO₂-eq.)

De figuur toont de geplande emissiereductie van de scope 1 projecten (in Mton CO₂-eq) van 30 geïnterviewde bedrijven naar mate van (on)zekerheid. Het gaat om voorlopige cijfers op basis van interviews in 2021 en het voorjaar van 2022. De industrie heeft in de periode 1990-2020 al meer dan 33 Mton broeikasgas gereduceerd.

De totale emissiereductie (uit de eigen schoorsteen: scope 1) die door de geïnterviewde bedrijven tot en met 2030 gepland is, bedraagt iets meer dan 20 Mton CO₂-equivalent. Van die 20 Mton is volgens de bedrijven ongeveer 90% ‘tamelijk zeker’ wat betreft realisatie. Wel geldt nadrukkelijk ook voor de ‘tamelijk zekere’ projecten dat de realisatie afhankelijk is van bepaalde randvoorwaarden, waarbij met name passende infrastructuur, subsidies, vergunningen en regelgeving genoemd worden.

De betreffende interviews zijn in 2021 en opnieuw in het voorjaar van 2022 afgenomen. De cijfers van 2022 zijn voorlopig en bevatten niet de meest recente ontwikkelingen.

Presentatie

Verwachte emissiereductie van geplande projecten (scope 1) naar uitvoeringsjaar en techniekoptie

De figuur toont de geplande emissiereductie van projecten (scope 1, in Mton CO₂-eq) uit interviews met 30 bedrijven naar uitvoeringsjaar en techniekoptie. Hierbij geldt dat de realisatie van de plannen afhankelijk is van randvoorwaarden. Het gaat om voorlopige cijfers op basis van interviews in 2021 en het voorjaar van 2022.

Duidelijk is dat de grootste reducties na 2026 zullen plaatsvinden. Ook blijkt dat het merendeel van de geplande emissiereductie bereikt wordt door middel van CO₂-afvang en -opslag (CCS, 11 Mton), waarvan een groot deel via blauwe-waterstofprojecten. Ten opzichte van 2021 is de totale geplande reductie in 2030 met bijna 1 Mton toegenomen. Het aandeel CCS-projecten is afgenomen en het aandeel waterstofprojecten toegenomen.

De betreffende interviews zijn in 2021 en opnieuw in het voorjaar van 2022 afgenomen. De gegevens uit 2022 zijn voorlopig en bevatten niet de meest recente ontwikkelingen.

Presentatie

Verdeling van de projecten tot 2030 van geïnterviewde bedrijven naar scope 1, 2 en 3 (Mton CO₂-eq.)

De figuur toont dat de 30 geïnterviewde bedrijven (naast de scope 1 projecten die meetellen voor het nationale reductiedoel) ook plannen hebben met emissiereductie (in Mton CO₂ eq) bij installaties buiten de industrie en/of buiten Nederland.

Daaraan dragen scope 3 projecten bijna 11 Mton bij (inclusief levering van warmte door bedrijven aan derden). Scope 3 projecten richten zich vaak op verandering van de grondstofketen, en dragen daarmee bij aan de circulaire economie. Het exact bepalen van de CO₂ reductie bij scope 3 projecten blijkt in veel gevallen lastig.

Projecten in scope 2 (die leiden tot reductie bij de elektriciteitssector) worden in de interviews weinig genoemd (0,4 Mton).

De betreffende interviews zijn in 2021 en opnieuw in het voorjaar van 2022 afgenomen. De gegevens uit 2022 zijn voorlopig en bevatten niet de meest recente ontwikkelingen.

Presentatie

Fase waarin geplande projecten voor emissiereductie in de industrie zich bevinden

De figuur geeft de planningsfase weer waarin geplande projecten van 30 geïnterviewde industriebedrijven zich bevinden (uitgedrukt in Mton CO₂ eq, zowel scope 1, 2 als 3) voor het jaar 2022, met 2021 als referentiejaar. Het gaat om voorlopige cijfers op basis van interviews in 2021 en het voorjaar van 2022.

Van de bijna 32 Mton reductie die tot en met 2030 gepland is voor scope 1, 2 en 3, bevindt zich ongeveer de helft van de geplande projecten in de ideefase of de ontwikkelfase. Met name de ontwikkelfase is ten opzichte van vorig jaar toegenomen.

Minder dan een kwart van de projecten bevindt zich in de besluitfase, wat minder is dan vorig jaar. Het geringe aantal projecten in de pilot- en demofase (1%) kan mogelijk verklaard worden doordat demo-projecten (deels) door bedrijven als ‘ontwerp’ zijn bestempeld.

Betreffende interviews zijn in 2021 en opnieuw in het voorjaar van 2022 afgenomen. De cijfers voor 2022 zijn voorlopig en bevatten niet de meest recente ontwikkelingen.

Presentatie

Aantal beschikte aanvragen, gecommitteerd budget en hoeveelheid vermeden CO₂-uitstoot van de SDE++

De figuur toont het aantal beschikte aanvragen, gecommitteerd budget en hoeveelheid vermeden CO₂-uitstoot van de SDE++ voor de industrie in 2021 (peildatum 14 april 2022).

Uit de figuur blijkt dat in deze ronde de meeste beschikkingen (339) zijn afgegeven voor zon-PV-projecten (op dak, veld en water), waarmee €266 miljoen subsidie is gemoeid en naar verwachting 0,1 Mton CO₂-uitstoot per jaar wordt vermeden. 

CCS/CCU scoort qua gecommitteerd budget (€58 miljoen) in 2021 lager dan elektrische boilers en biomassa-gas. Andere technieken zijn aanzienlijk minder aangevraagd. Ten opzichte van 2020 (het eerste jaar van de verbreding) zijn er in 2021 minder CCS/CCU projecten gehonoreerd (2 in plaats van 6).

Presentatie

Betalingen (kasuitgaven) aan de industrie vanuit de SDE++ en voorlopers

De figuur toont de uitbetaalde bedragen (kasuitgaven) aan de industrie vanuit de SDE++ (inclusief voorlopers (OV)MEP, SDE, en SDE+) over de afgelopen jaren, verdeeld naar de verschillende categorieën waarvoor subsidie kan worden aangevraagd (peildatum mei 2022). Naast technieken voor productie van hernieuwbare elektriciteit, zijn de categorieën in 2021 verbreed naar technieken die CO₂ reduceren.

Pas nadat een project daadwerkelijk CO₂ reductie oplevert, wordt er subsidie uitbetaald. Omdat de realisatie van projecten vaak enige jaren duurt, vindt de uitbetaling van subsidie niet in hetzelfde jaar plaats als de committering van het subsidiebudget voor een project. De uitbetaalde bedragen (kasuitgaven) zijn gebaseerd op de hoeveelheid gereduceerde of vermeden CO₂ die een project jaarlijks realiseert, en de ‘onrendabele top’ bij exploitatie. De kasuitgaven kunnen daardoor verschillen van de bedragen die voor aanvang voor een project zijn gecommitteerd.

Presentatie

Gecommiteerd subsidiebedrag voor SDE(++) en ISDE voor de sector industrie

De figuren tonen de ontwikkelingen voor de sector industrie van het aantal aanvragen en het gecommitteerde subsidiebedrag voor de SDE(++) en de ISDE in de periode 2015 – 2021 (peildatum 14 april 2022).

Duidelijk zichtbaar bij de SDE++ is de toename in 2020 van het aantal industrieprojecten sinds de verbreding. Ook het gecommitteerde subsidiebedrag voor industrie-projecten laat een aanzienlijke toename zien van 0,7 miljard euro in 2019 naar 2,9 miljard euro in 2020, met name vanwege enkele grote CCS projecten. In 2021 is er 0,5 miljard euro gecommitteerd.

De verklaring voor de daling van het aantal ISDE-projecten in 2020 ten opzichte van 2019 is dat er wijzigingen in de voorwaarden zijn voor met name biomassaketels, pelletkachels, en warmtepompen.

Presentatie

Presentatie

Resultaten

De volgende indicatoren hebben betrekking op meetbare resultaten in de subsector projectenpijplijn.

Vermeden CO₂-uitstoot door procesefficiencymaatregelen (scope 1+2)

De figuur geeft weer hoeveel CO₂-uitstoot er is vermeden door projecten die zijn uitgevoerd door bedrijven die deelnemen aan de convenanten MEE en MJA. Het gaat om projecten die zijn uitgevoerd in de periode 2015-2020.

Scope 1 betreft projecten die besparen op brandstoffen, scope 2 is besparing op warmte of elektriciteit. In 2020 gaat het totaal om 3,7 Mton vermeden CO₂, waarvan 2,3 Mton CO₂ is vermeden bij de bedrijven zelf (scope 1) en 1,4 Mton door besparing op ingenomen elektriciteit (scope 2). Deze vermeden scope 2 Mtonnen ‘in de keten’ dragen bij aan de reductieopgave richting 2030, maar tellen niet mee bij de industriesector.

Door de coronacrisis zijn relatief weinig nieuwe projecten uitgevoerd in 2020. Overigens zijn de projecten niet allemaal uitgevoerd dankzij de convenanten; sommige projecten zouden ook zijn uitgevoerd zonder convenant, en er is ook overlap met andere beleidsinstrumenten (bijvoorbeeld EIA).

Kanttekeningen bij deze cijfers: Het doel van de convenanten is energiebesparing, dus niet vermeden emissie. Zonder deze projecten was de emissie evenwel hoger geweest. Vermeden emissies staat echter niet gelijk aan een absolute daling van de emissie.

Een andere kanttekening: tot de groep (van ca. 1000) convenantbedrijven behoort ook een aantal bedrijven die niet onder de industrie vallen maar onder diensten (onderwijs, ziekenhuizen en financiële dienstverleners), (rail)vervoer of overige sectoren (bijvoorbeeld koelhuizen). Deze zijn verantwoordelijk voor ongeveer 20% van de gerealiseerde besparing.

Presentatie

Vermeden CO₂-uitstoot door procesefficiency maatregelen per categorie (scope 1+2)

De figuur toont welke maatregelen van bedrijven die deelnamen aan de energieconvenanten MEE en MJA hebben bijgedragen aan de vermeden CO₂-uitstoot (cumulatief) vanaf begin 2015 tot en met 2020.

Zichtbaar is dat procesverbeteringsmaatregelen de grootste bijdrage (ca. twee derde) van de totale besparing leverden; over de periode 2015-2020 gaat het om 2,5 Mton vermeden CO₂.

Kanttekeningen: de besparingen van het Addendum MEE zijn vanwege definitieverschillen buiten beschouwing gelaten. Wel zijn in de cijfers ook diensten meegenomen (onderwijs, ziekenhuizen en financiële dienstverleners), net als (rail)vervoer en overige sectoren (bijvoorbeeld koelhuizen).

Presentatie

Gerealiseerde cumulatieve finale energiebesparing proces-efficiencymaatregelen EIA/MJA-MEE

De figuur toont de finale energiebesparing (cumulatief vermeden finaal energieverbruik) van de bedrijven die deelnemen aan MJA/MEE en de bedrijven die gebruik hebben gemaakt van de EIA regeling in de periode 2015-2020, inclusief de overlap van beide instrumenten.

Deze loopt op van 9,8 PJ in 2015 tot 66,1 PJ in 2020. Dit betreft alleen de procesverbeteringsmaatregelen (dus niet keten-efficiëntie en duurzame energie).

Kanttekening: de besparingen van het Addendum MEE zijn vanwege definitieverschillen buiten beschouwing gelaten.

Presentatie

Toegekende aanvragen voor duurzame investeringen in de industrie via EIA en MIA-VAMIL gezamenlijk

De figuur toont het gebruik van de fiscale regelingen EIA en MIA/Vamil door de industrie per jaar in de periode 2016-2021. In termen van aantallen aanvragen maakt de industrie verreweg het meest gebruik van de EIA (ongeveer 2.500 aanvragen in 2021).

Dit is een indicatie dat de EIA goed aansluit bij de behoefte van de industrie. In de figuur hierboven is te zien hoeveel energiebesparing hiermee gemoeid was.

De EIA geeft bedrijven een aftrek op de hoogte van de fiscale winst voor investeringen in energiezuinige technieken en duurzame energie volgens de EIA-lijst. De Milieu-investeringsaftrek (MIA) en de Willekeurige afschrijving milieu-investeringen (Vamil) bieden fiscale ondersteuning voor investeringen in bedrijfsmiddelen die op de Milieulijst staan.

Presentatie

Duurzame investeringen in de industrie via EIA en MIA-VAMIL gezamenlijk

De figuur toont de gecommitteerde bedragen bij aanvragen van de industrie voor de fiscale regelingen EIA en MIA/Vamil per jaar, in de periode 2016-2021.

Bij de genoemde bedragen gaat het om de omvang van de aangevraagde fiscale aftrekpost, wat meestal gelijk is aan het totale investeringsvolume van verduurzamingsmaatregelen waarvoor EIA of MIA-Vamil werd aangevraagd. Met de EIA is in de periode 2016-2021 meer investeringsvolume gemoeid dan met de MIA-Vamil. Wel laat de MIA-Vamil in 2021 een sterke groei zien ten opzichte van 2020. In 2021 ging het om 358 miljoen euro aan investeringsvolume voor EIA en MIA-Vamil samen.

De EIA geeft bedrijven een aftrek op de hoogte van de fiscale winst voor investeringen in energiezuinige technieken en duurzame energie volgens de EIA-lijst. Op deze investeringen geeft de EIA gemiddeld een voordeel van 11%. De Milieu-investeringsaftrek (MIA) en de Willekeurige afschrijving milieu-investeringen (Vamil) bieden fiscale ondersteuning voor investeringen in bedrijfsmiddelen die op de Milieulijst staan.

Presentatie

Totaal investeringsbedrag van top-5 technieken Energie-Investeringsaftrek (EIA)

De figuur laat per jaar de top 5 technieken zien (in termen van totaal gecommitteerd bedrag) waarvoor EIA is toegekend aan de industrie, in de periode 2016-2021.

De industrie gebruikte in 2021 de EIA het meest voor procesverbetering, en in mindere mate voor warmteterugwinning, voor energiebesparing in hun gebouwen, en voor verlichting.

De EIA geeft bedrijven een aftrek op de hoogte van de fiscale winst voor investeringen in energiezuinige technieken en duurzame energie volgens de EIA-lijst.

Presentatie