Industrie

Over projectenpijplijn 2030 koplopersprogramma's

In 2020 hebben de zes industriële clusters elk een koplopersprogramma opgeleverd waarin ze hun plannen beschrijven om tot emissiereductie te komen richting 2030, met een naar 2050. Deze programma's vormen de basis voor een uitvoeringsprogramma voor de industrie en bijvoorbeeld ook voor de clusterenergiestrategieën, die de industrieclusters opstellen om toe te werken naar regionale en landelijke uitvoeringsprogramma's voor infrastructuur.

Uit de RVO-analyse koploperprogramma's en verdiepende interviews van RVO met de ruim 30 bedrijven die samen verantwoordelijk zijn voor ongeveer 60% van CO2-emissie van de industrie, blijkt dat er theoretisch voldoende potentieel is om invulling te geven aan de reductiedoelstelling van de industrie, mits aan randvoorwaarden wordt voldaan (o.a. infrastructuur, subsidie, vergunningen).

Het grootste deel daarvan wordt bereikt door middel van CCS, waaronder het Porthos project bij Rotterdam, gevolgd door (proces)efficiëntie en restwarmte, elektrificatie en waterstof. Van de geplande CCS-reductieprojecten betreft meer dan de helft blauwe-waterstofprojecten, een belangrijke stap in de transitie die ook de weg plaveit naar de overstap op groene waterstof.

Verwachte emissiereductie van geplande projecten (scope 1) naar uitvoeringsjaar en techniekoptie, 2021

Presentatie

Indicatoren

Het dashboard bevat voor koplopersprogramma's nu de volgende indicatoren.

Beleid en afspraken

In de uitvoering wordt gewerkt aan de volgende beleidsonderwerpen en (clusters van) afspraken. Lees de beschrijving en status door te klikken op het 'plusje'.

  • Circulaire economie

  • Decentraal

  • EU

  • Industrieroutes

  • Infrastructuur

  • Instrumentarium

  • Kennis & Innovatie

  • Monitoring

Randvoorwaarden

Om de transitie mogelijk te maken moeten randvoorwaarden veranderen. Het beleid en de afspraken dragen hieraan bij. De volgende indicatoren hebben betrekking op randvoorwaarden voor de transitie in de subsector koplopersprogramma's.

Aantal ervaren belemmeringen bij projecten in de pijplijn van geïnterviewde industriebedrijven, 2021

De figuur toont het aantal ervaren belemmeringen (uitgedrukt in % van het totaal) genoemd door 30 geïnterviewde bedrijven bij geplande projecten voor CO₂-emissiereductie in de industrie.

Het gaat om projecten van scope 1, 2 en 3. Per bedrijf of project kunnen meerdere knelpunten genoemd zijn. Voor alle projecten geldt dat de realisatie afhankelijk is van bepaalde randvoorwaarden, waarbij met name passende infrastructuur, subsidies, vergunningen en regelgeving genoemd worden.

Betreffende interviews zijn in het voorjaar van 2021 afgenomen en bevatten daarom niet de meest recente ontwikkelingen.

Presentatie

Gemiddelde kosten van gesubsidieerde CO₂-reductie per jaar voor verschillende techniekopties SDE++

In de figuur zijn de gemiddelde subsidiekosten (in euro per ton CO₂) voor verschillende techniekopties afgezet tegen de verwachte CO₂-reductie per jaar, als maat voor de de subsidie-intensiteit van de SDE++ (peildatum 1 juni 2021).

Hiermee wordt inzichtelijk wat momenteel de meest kostenefficiënte techniekopties zijn waarvoor subsidie is aangevraagd. Waar windenergie (op land) en restwarmte de laagste subsidie-intensiteit laten zien voor een relatief beperkte productie, levert CO₂-afvang en -opslag (CCS) heel veel CO₂-reductie op tegen relatief lage subsidiekosten.

Presentatie

Totaal aantal infrastructurele knelpunten per energiedrager CO₂, 2020

De figuur toont het aantal infrastructurele knelpunten per energiedrager (CO₂-afvang en -opslag, elektrificatie, waterstof, en warmte), uitgesplitst naar type knelpunt, zoals geïnventariseerd in het TIKI-rapport (dd. Mei 2020).

Tijdige uitbreiding van elektriciteits-, waterstof- en warmtenetten is cruciaal om het CO₂-vrije aanbod en de vraag bij alle afnemers met elkaar te verbinden, zowel nationaal als regionaal. Dat is een grote uitdaging waarbij, naast directe actie, ver vooruit moet worden gekeken. Bovendien zijn verschillende energiedragers, bijvoorbeeld elektriciteit en groene waterstof, in toenemende mate met elkaar verbonden.

Het programma Energiesysteem, dat in ontwikkeling is, heeft als doel om sturing te geven op basis van een integraal beeld van vraag, aanbod en internationale ontwikkelingen. Vooruitlopend hierop heeft het kabinet besloten een regierol te nemen voor de versnelde realisatie van energie- en klimaatgerelateerde infrastructuur, naar aanleiding van het rapport van de Taskforce Infrastructuur Klimaatakkoord Industrie (TIKI). Hiertoe is het Nationaal Programma Infrastructuur Duurzame Industrie (PIDI) ingesteld waarin Rijk, industrie, netbeheerders, energieproducenten en decentrale overheden samenwerken.

PIDI gaat invulling geven aan het Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (MIEK). Daarin komen infrastructuurprojecten die van nationaal belang zijn en bijdragen aan de klimaatopgave, zoals 380 kV-verbindingen en buisleidingen voor waterstof, CO₂ en warmte. Het 1e MIEK zal eind dit jaar verschijnen en daarna periodiek worden bijgewerkt.

Basis voor dit MIEK vormen de Cluster Energie Strategieën (CES-en) van waaruit projecten van nationaal belang voor het MIEK worden geagendeerd. PIDI zal voortvarend knelpunten wegnemen die besluitvorming en realisatie in de weg staan bij die projecten. Het is immers belangrijk dat energie-producerende - en energie-vragende partijen zo snel mogelijk zekerheid hebben dat de benodigde infrastructuur er komt, zodat zij ook snel beslissingen kunnen nemen over hun duurzame investeringen.

Deze ontwikkeling wordt verder ondersteund met de maatregelen die bij Miljoenennota zijn aangekondigd.

Presentatie

Schematische weergave van de nationale CO₂-heffing met vrijgestelde ruimte voor 2021-2030

De figuur geeft een schematische weergave van de nationale CO₂-heffing met vrijgestelde ruimte voor 2021-2030.

De CO₂-heffing is in 2021 ingevoerd. In verband met de 'rustige' start van de heffing zal de industrie als geheel pas rond 2024 een tekort aan dispensatierechten hebben. De industrie als geheel hoeft voor die tijd dus geen kosten te maken aan de heffing. Dit betekent echter niet dat individuele bedrijven geen kosten hebben.

Het totale overschot aan dispensatierechten tot 2024 is niet gelijk verdeeld. Een bedrijf met een tekort kan rechten bijkopen van een bedrijf met een overschot en zo de heffing voor blijven, of zijn emissies reduceren.

Het doel van de heffing, zoals afgesproken in het Klimaatakkoord, is immers om de industrie emissies te laten reduceren, niet om opbrengsten te genereren. Als de heffing haar werkt doet, leidt die niet tot lastenverzwaring. Wel zal er dan sprake zijn van extra investeringen en mogelijk vervroegde afschrijvingen om emissiereductie te bewerkstelligen.

grafiek

Verdeling van heffingsplichtige inrichten per industriecluster

De tabel toont de verdeling en de uitstoot van de inrichtingen per industriecluster die onder de CO₂ heffing vallen (exclusief warmteleveringen).

De CO₂-heffing omvat de industriële uitstoot en warmtelevering onder het Europese emissiehandelssysteem (EU-ETS), afvalverbranding en lachgasuitstoot.

Heffingsplichtigen Inrichtingen 2019 Inrichtingen 2019 % Broeikasgas 2019 (Mton CO2-eq) Broeikasgas 2019 %
Rotterdam-Moerdijk 44 15,4% 18,7 37,9%
Zeeland 22 7,7% 10,0 20,3%
Noordzeekanaal 11 3,9% 7,0 14,2%
Cluster 6 169 59,3% 5,7 11,6%
Chemelot (incl. N2O) 1 0,4% 5,2 10,5%
Noord-Nederland 38 13,3% 2,8 5,6%
Totaal 285 100,0% 49,5 100,0%
Presentatie

Belastingdruk energiebelasting (EB) en opslag duurzame energie (ODE) voor verschillende sectoren

De tabel geeft een indicatie van de (verschuiving in) belastingdruk voor 2019 en 2020 naar huishoudens/bedrijfsleven en binnen de industrie per bedrijfstak, op basis van de energiebelasting (EB) en opslag duurzame energie (ODE).

De ODE is de voeding voor de subsidieregeling SDE(++). Zichtbaar is de lastenverzwaring van € 3,7 naar € 5,2 miljard bij bedrijven in de periode 2019-2030, conform Klimaatakkoord. Bij de industrie als geheel nemen de lasten met 65% toe van € 645 miljoen naar € 1,1 miljard. Daar staat tegenover dat zij naar verwachting het meest gebruik zullen maken van de SDE++.

Binnen de industrie lopen de EB/ODE-lasten vanwege de vrijstellingen voor metallurgische en mineralogische processen sterk uiteen. Zo betaalt de basismetaalsector niets. De vrijstellingen voor metallurgische en mineralogische kosten de schatkist circa € 80 miljoen per jaar. Deze vrijstellingen zijn toegestaan in de EU-richtlijn Energiebelastingen met oog op de concurrentiepositie van de industrie ten opzichte van andere werelddelen (en worden ook in andere lidstaten ingezet).

2019 2020 2030
Bijdrage na vrijstellingen in mln. euro Bijdrage na vrijstellingen in mln. euro Mutatie bijdrage t.o.v. 2019 Bijdrage na vrijstellingen in mln. euro Mutatie bijdrage t.o.v. 2019
Totale opbrengst energiebelasting + ODE 7.262 7.737 7% 8.958 23%
Totaal huishoudens 3.588 3.307 -8% 3.751 5%
Totaal bedrijven 3.673 4.430 21% 5.208 42%
- Industrie 645 874 35% 1.061 65%
wv. voedings- en genotmiddelenindustrie 211 284 34% 346 64%
wv. hout-, papier- en grafische industrie 68 88 29% 106 55%
wv. aardolie, chemische en farmaceutische industrie 117 183 56% 226 93%
wv. aardolie-industrie 12 22 83% 27 125%
wv. basischemie 24 35 46% 43 79%
wv. overige anorganische basischemie 13 21 62% 26 100%
wv. organische basischemie 20 30 50% 37 85%
wv. kunstmestchemie 15 28 87% 36 140%
wv. overige chemische en farmaceutische producten 33 47 42% 57 72%
wv. bouwmaterialenindustrie 14 21 50% 26 86%
wv. basismetaalindustrie 0 0 0
wv. metaalproducten, machine-industrie, transportmiddelen 114 146 28% 178 56%
wv. overige industrie 120 152 26% 180 49%
- Landbouw 313 373 19% 429 37%
- Dienstverlening 2.083 2.447 17% 2.852 37%
- Overheid/onderwijs/zorg 633 736 16% 865 37%
Presentatie

Veranderingen

Als de randvoorwaarden wijzigen, worden veranderingen in de samenleving mogelijk. De volgende indicatoren hebben betrekking op veranderingen die al zichtbaar en meetbaar zijn.

Projectenpijplijn voor emissiereductie van geïnterviewde industriebedrijven (scope 1; Mton CO₂-eq.)

De figuur toont de geplande emissiereductie van de scope-1-projecten (in Mton CO₂-eq) van 30 geïnterviewde industriebedrijven naar mate van (on)zekerheid, bovenop de reeds gerealiseerde reductie van 31,9 Mton sinds 1990.

De totale emissiereductie die door de geïnterviewde bedrijven tot en met 2030 gepland is, bedraagt naar verwachting iets meer dan 19 Mton CO₂-equivalent. Van die 19 Mton is volgens de bedrijven bijna 80% ‘tamelijk zeker’ wat betreft realisatie. Wel geldt nadrukkelijk ook voor de ‘tamelijk zekere’ projecten dat de realisatie afhankelijk is van bepaalde randvoorwaarden, waarbij met name passende infrastructuur, subsidies, vergunningen en regelgeving genoemd worden.

Betreffende interviews zijn in het voorjaar van 2021 afgenomen en bevatten daarom niet de meest recente ontwikkelingen.

Presentatie

Verwachte emissiereductie van geplande projecten (scope 1) naar uitvoeringsjaar en techniekoptie

De figuur toont de geplande emissiereductie projecten (scope 1, in Mton CO₂-eq) uit interviews met 30 industriebedrijven naar uitvoeringsjaar en techniekoptie, waarbij geldt dat de realisatie van de plannen afhankelijk is van randvoorwaarden.

Duidelijk is dat de grootste reducties na 2025 zullen plaatsvinden. Tevens blijkt dat het merendeel van de geplande emissiereductie bereikt wordt door middel van CO₂-afvang en -opslag CCS (15,2 Mton), waarvan 9 Mton via blauwe-waterstofprojecten, vooruitlopend op de overstap naar groene waterstof.

Betreffende interviews zijn in het voorjaar van 2021 afgenomen en bevatten daarom niet de meest recente ontwikkelingen.

Presentatie

Projectenpijplijn geïnterviewde industriebedrijven versus ambitie koploperprogramma’s

De figuur toont de projectenpijplijn tot en met 2030 (scope 1) van 30 geïnterviewde bedrijven onderverdeeld naar cluster en techniekoptie, afgezet tegen de ambitie uit de koploperprogramma’s, in Mton CO₂-eq.

NB: De ambities uit de koplopersprogramma’s zijn gebaseerd op een grotere groep bedrijven dan de geïnterviewde groep. Het merendeel van de geplande projecten uit de interviews bestaat uit CO₂-afvang en -opslag (CCS) (15,2 Mton), waarvan 9 Mton via blauwe-waterstofprojecten.

Met name de bedrijven in de clusters Rotterdam-Moerdijk, Zeeland-West Brabant en Noordzeekanaalgebied nemen een groot deel van de geplande Mtonnen voor hun rekening. Het koplopersprogramma voor cluster 6 heeft de ambitie niet gespecificeerd naar techniekopties.

Uit de Koplopersprogramma’s en de daarop gebaseerde Cluster Energie Strategieën blijkt dat minimaal 3,2 Mton van de ambities is toe te schrijven aan elektrificatie.

Betreffende interviews zijn in het voorjaar van 2021 afgenomen en bevatten daarom niet de meest recente ontwikkelingen.

Presentatie

Verdeling van de projecten tot 2030 van geïnterviewde bedrijven naar scope 1, 2 en 3 (Mton CO₂-eq.), 2021

De figuur toont dat de 30 geïnterviewde industriebedrijven (naast de scope-1 projecten die meetellen voor het nationale reductiedoel) ook plannen hebben met emissiereductie (in Mton CO₂ eq) bij installaties buiten de industrie en/of buiten Nederland.

De totale emissiereductie van scope 1, 2 en 3 van de geplande projecten tot en met 2030 komt uit op bijna 28 Mton. Daaraan dragen scope-3 projecten 8 Mton bij (inclusief levering van warmte door bedrijven aan derden, van circa 0,6 Mton). Projecten in scope 2 (die leiden tot reductie bij de elektriciteitssector) worden in de interviews weinig genoemd (0,3 Mton).

Betreffende interviews zijn in het voorjaar van 2021 afgenomen en bevatten daarom niet de meest recente ontwikkelingen.

Presentatie

Fase waarin geplande projecten voor emissiereductie in de industrie zich bevinden, 2021

De figuur geeft de planningsfase weer waarin geplande projecten van 30 geïnterviewde industriebedrijven zich bevinden (uitgedrukt in Mton CO₂ eq, zowel scope 1, 2 als 3).

Momenteel bevindt zich iets meer dan een kwart van de geplande projecten in de ideefase, bijna een derde in de ontwikkel- en ontwerpfase en bijna een derde in de besluitfase. Het geringe aantal projecten in de pilot- en demofase (1%) kan mogelijk verklaard worden doordat demo-projecten (deels) door bedrijven als ‘ontwerp’ zijn bestempeld.

Uit de interviews blijkt dat vooral procesefficiëntie en CO₂-afvang-en-opslag (CCS)-projecten aan het einde van de planningsfase zitten en in mindere mate (rest)warmte. Veel projecten voor elektrificatie en waterstof bevinden zich nog in een beginfase.

Betreffende interviews zijn in het voorjaar van 2021 afgenomen en bevatten daarom niet de meest recente ontwikkelingen.

Presentatie

Aantal beschikte aanvragen, gecommitteerd budget en hoeveelheid vermeden CO₂-uitstoot van de SDE++, 2020

De figuur toont het aantal beschikte aanvragen, gecommitteerd budget en hoeveelheid vermeden CO₂-uitstoot van de SDE++ najaarsronde 2020 (peildatum 1 juni 2021).

Uit de figuur blijkt dat de meeste emissiereductie wordt bereikt met zes CCS-projecten (2,3 Mton) met een subsidie van €2,1 miljard. De meeste beschikkingen (ruim 3.400) zijn afgegeven voor zon-PV-projecten (op dak, veld en water), waarmee bijna €2 miljard subsidie is gemoeid en naar verwachting 0,6 Mton emissies wordt gereduceerd. Andere technieken zijn aanzienlijk minder gehonoreerd, maar ook minder aangevraagd.

Presentatie

Gecommiteerd subsidiebedrag voor SDE en ISDE voor de sector industrie

De figuren tonen de ontwikkelingen voor de sector industrie van het aantal aanvragen en het gecommitteerde subsidiebedrag voor de SDE(++) en de ISDE in de periode 2015 – 2020.

Duidelijk zichtbaar is de toename in het aantal projecten vanuit de industrie sinds de verbreding va de SDE+ naar de SDE++ in 2020. Ook het gecommitteerde subsidiebedrag voor industrie-projecten laat een aanzienlijke toename zien van 0,7 miljard euro in 2019 naar 2,9 miljard euro in 2020.

Als verklaring voor de daling van het gecommitteerd budget voor ISDE-projecten in 2020 ten opzichte van 2019 geldt dat er wijzigingen in voorwaarden zijn voor met name biomassaketels, pelletkachels, en warmtepompen.

Presentatie

Presentatie

Resultaten

De volgende indicatoren hebben betrekking op meetbare resultaten in de subsector koplopersprogramma's.

Vermeden CO₂ door procesefficiencymaatregelen (scope 1+2)

De figuur geeft weer hoeveel CO₂-uitstoot er is vermeden door projecten die zijn uitgevoerd door bedrijven die deelnemen aan de convenanten MEE en MJA. Het gaat om projecten die zijn uitgevoerd in de periode 2015-2020.

Scope 1 betreft projecten die besparen op brandstoffen, scope 2 is besparing op warmte of elektriciteit. In 2020 gaat het totaal om 3,7 Mton vermeden CO₂, waarvan 2,3 Mton CO₂ is vermeden bij de bedrijven zelf (scope 1) en 1,4 Mton door besparing op ingenomen elektriciteit (scope 2). Deze vermeden scope 2 Mtonnen ‘in de keten’ dragen bij aan de reductieopgave richting 2030, maar tellen niet mee bij de industriesector.

Door de coronacrisis zijn relatief weinig nieuwe projecten uitgevoerd in 2020. Overigens zijn de projecten niet allemaal uitgevoerd dankzij de convenanten; sommige projecten zouden ook zijn uitgevoerd zonder convenant, en er is ook overlap met andere beleidsinstrumenten (bijv EIA).

Kanttekeningen bij deze cijfers: Het doel van de convenanten is energie-besparingswinst, dus niet vermeden emissie. Zonder deze projecten was de emissie evenwel hoger geweest. Vermeden emissies staat echter niet gelijk aan een absolute daling van de emissie.

Een andere kanttekening: tot de groep (van ca. 1000) convenantbedrijven behoort ook een aantal bedrijven die niet onder de industrie vallen maar onder diensten (onderwijs, ziekenhuizen en financiële dienstverleners), (rail)vervoer of overige sectoren (bijv. koelhuizen). Deze zijn verantwoordelijk voor ongeveer 20% van de gerealiseerde besparing.

Presentatie

Vermeden CO₂ door procesefficiency maatregelen per categorie (scope 1+2)

de figuur toont welke maatregelen van bedrijven die deelnemen aan de energieconvenanten MEE en MJA hebben bijgedragen aan de vermeden CO₂-uitstoot (cumulatief) vanaf begin 2015 tot en met 2020.

Zichtbaar is dat procesverbeteringsmaatregelen de grootste bijdrage (ca. twee derde) van de totale besparing leverden; over de periode 2015-2020 gaat het om 2,5 Mton vermeden CO₂.

Kanttekeningen: de besparingen van het Addendum MEE zijn vanwege definitieverschillen buiten beschouwing gelaten. Wel zijn in de cijfers ook diensten meegenomen (onderwijs, ziekenhuizen en financiële dienstverleners), net als (rail)vervoer en overige sectoren (bijv. koelhuizen).

Presentatie

Gerealiseerde cumulatieve finale energiebesparing proces-efficiencymaatregelen EIA/MJA-MEE

De figuur toont de finale energiebesparing (cumulatief vermeden finaal energieverbruik) van de bedrijven die deelnemen aan MJA/MEE en de bedrijven die gebruik hebben gemaakt van de EIA regeling in de periode 2015-2019, inclusief de overlap van beide instrumenten.

Deze loopt op van 9,8 PJ in 2015 tot 57,0 PJ in 2019. Dit betreft alleen de procesverbeteringsmaatregelen (dus niet keten-efficiëntie en duurzame energie).

Kanttekening: de besparingen van het Addendum MEE zijn vanwege definitieverschillen buiten beschouwing gelaten.

Presentatie

Toegekende aanvragen voor duurzame investeringen in de industrie via EIA en MIA-VAMIL gezamenlijk

De figuur toont het gebruik van de fiscale regelingen EIA en MIA/Vamil door de industrie per jaar in de periode 2015-2020. In termen van aantallen aanvragen maakt de industrie verreweg het meest gebruik van de EIA (ruim 3.000 aanvragen in 2020).

Dit is een indicatie dat dit instrument goed aansluit bij de behoefte van de industrie. In de figuur hierboven is te zien hoeveel energiebesparing hiermee gemoeid was.

De EIA geeft bedrijven een aftrek op de hoogte van de fiscale winst voor investeringen in energiezuinige technieken en duurzame energie volgens de EIA-lijst. De Milieu-investeringsaftrek (MIA) en de Willekeurige afschrijving milieu-investeringen (Vamil) bieden fiscale ondersteuning voor investeringen in bedrijfsmiddelen die op de Milieulijst staan.

Presentatie

Duurzame investeringen in de industrie via EAI en MIA-VAMIL gezamenlijk

De figuur toont de gecommitteerde bedragen bij aanvragen van de industrie voor de fiscale regelingen EIA en MIA/Vamil per jaar, in de periode 2015-2020.

Bij de genoemde bedragen gaat het om de omvang van de aangevraagde fiscale aftrekpost, wat meestal gelijk is aan het totale investeringsvolume van verduurzamingsmaatregelen waarvoor EIA of MIA-Vamil werd aangevraagd.

Met de EIA is in de periode 2015-2020 meer investeringsvolume gemoeid dan met de MIA-Vamil. In 2020 ging het om 334 miljoen euro voor EIA en MIA-Vamil samen. Op deze investeringen geeft de EIA gemiddeld een voordeel van 11%.

De EIA geeft bedrijven een aftrek op de hoogte van de fiscale winst voor investeringen in energiezuinige technieken en duurzame energie volgens de EIA-lijst. De Milieu-investeringsaftrek (MIA) en de Willekeurige afschrijving milieu-investeringen (Vamil) bieden fiscale ondersteuning voor investeringen in bedrijfsmiddelen die op de Milieulijst staan.

Presentatie

Totaal investeringsbedrag van top-5 technieken Energie-Investeringsaftrek (EIA)

De figuur laat per jaar de top 5 technieken zien (in termen van totaal gecommitteerd bedrag) waarvoor EIA is toegekend aan de industrie, in de periode 2015-2020.

De industrie gebruikte in 2020 de EIA het meest voor procesverbetering, en in mindere mate voor energiebesparing in hun gebouwen, voor warmteterugwinning en voor verlichting.

De EIA geeft bedrijven een aftrek op de hoogte van de fiscale winst voor investeringen in energiezuinige technieken en duurzame energie volgens de EIA-lijst.

Presentatie